Als grafisch ontwerper heb ik jaren lang afbeeldingen van boekomslagen, foto’s, krantenillustraties, advertenties, kunstwerken en posters verzameld. In deze omvangrijke verzameling viel het me op, dat er bepaalde weerkerende stilistische thema’s leken te zijn.

In het prachtige boek Visual Language van Philip Thompson en (mijn leermeester) Peter Davenport, dat een alfabetische index is van thema’s in de grafische vormgeving, kwam ik voor het eerst het begrip visual figures of speech tegen. Entries in het boek waren onder andere de oxymoron, de Repetitie of de hyperbool, maar ik kende ook stijlfiguren uit de literatuur die echter niet in deze index voorkwamen. Op dat moment nam ik me voor dat uit te gaan zoeken.

Op een dag ben ik begonnen dit inderdaad uit te gaan zoeken.
Ik gebruikte daarvoor enerzijds een lexicon van literaire stijlfiguren, anderzijds een verzameling afbeeldingen van boekomslagen, foto’s, krantenillustraties, advertenties, kunstwerken en posters die iksinds lange tijd verzameld had en die ik had laten afdrukken. Het criterium bij het aanleggen van deze verzameling was dat ik vond dat er  iets inventiefs, iets nieuws, iets sprankelends in zat. Ik ben begonnen deze afdrukken in te delen op grond van een vergelijkbare visueel effect.

Daarna heb ik de lexicon over stijlfiguren bestudeerd, gefotokopiëerd, verknipt en ook deze verdeeld in groepen.

De twee verzamelingen vertoonden, zoals de verwachting was, overlappingen: vele literaire stijlfiguren hadden een visuele tegenhanger. Zo vond ik in allebei de verzamelingen de oxymoron, de repetitie of de hyperbool. Maar ik vond ook in beide verzamelingen groepen, waarvan ik geen tegenhanger kon vinden in de andere verzameling.

Wat zijn stijlfiguren?

Stijlfiguren in de literatuur zijn beknopte stijleffecten.

Stijlfiguren zijn aanpassingen van letters, woorddelen, woorden, zinsdelen of zinnen, waardoor deze gaat afwijken van het gewone, het gebruikelijke manier om iets te zeggen. De uitgesproken of opgeschreven mededeling worden daardoor meer aansprekend, aantrekkelijker, pittiger, sprankelender, expressiever. De boodschap wordt beter begrepen.

In de spreektaal kom je een aantal stijlfiguren veelvuldig tegen en zonder er bij na te denken ingezet. In de literatuur kom je een breder scala aan stijlfiguren tegen en worden ze meer doelbewust toegepast. 

Want wie realiseert zich, dat wanneer je bijvoorbeeld zegt: ‘Dat was kort en krachtig’, dat je gebruikt maakt van een stijlfiguur? Alliteratie (twee woorden met gelijke beginklank). Of wanneer je zegt: ‘Lezen, ik kan er niet genoeg van krijgen.’? Prolepsis. (belangrijk geacht woord vooraan zetten).

‘Ik ben me doodgeschrokken’: hyperbool. (erg overdreven, je leeft nog); ‘Hij was zo ziek als een hond’: vergelijking. ‘Dat huishouden is een georganiseerde chaos’: oxymoron, paradox. ‘O, o, o, wat een rommel is het hier’ : repetitio. ‘Jij bent ook een mooie!’: antifrase. ‘Ik vind dat niet onaardig’: adynaton (dubbele ontkenning waardor het extra positief klinkt).

We kunnen de vorming van een stijlfiguur beschrijven als een taalkundige ingreep waarmee afgeweken wordt van de normale, voor de hand liggende formulering. Om dit te verduidelijken kunnen we van de uitspraken van de vorige alinea, waarin een stijlfiguur verborgen zat, opnieuw formuleren maar dan met een ‘normale, voor de hand liggende formulering’:

Dat was kort en krachtig (alliteratie) -1-

ipv: Dat ging snel en er gebeurde veel.

Lezen, ik kan er niet genoeg van krijgen  (prolepsis) -2-

ipv: Ik kan niet genoeg van lezen krijgen.

Ik ben me doodgeschrokken (hyperbool) -3-

ipv: Ik ben erg geschrokken

Hij was zo ziek als een hond  (vergelijking) -4-

ipv: Hij was erg ziek

Dat huishouden is een georganiseerde chaos (oxymoron) -5-

ipv: Dat huishouden lijkt een rommel, maar toch heeft alles zijn vaste plaats.

O, o, o, wat een rommel is het hier (repetitio) -6-

ipv: O, wat een rommel!

Jij bent ook een mooie! (antifrase) -7-

ipv: Jij hebt dat niet goed gedaan.

Ik vind dat niet onaardig (adynaton)

ipv: Ik vind dat goed.

Classificatie: indeling in tropen en schema’s

Stijlfiguren worden beschreven als taalkundige transformaties. Taalkundigen die stijlfiguren onderzocht hebben, hebben vastgesteld, dat je deze taalkundige transformaties kunt onderscheiden in de vorm die deze aanneemt: de transformatie is ofwel een toevoeging, ofwel een verplaatsing, ofwel een weglating ofwel een vervanging. (De laatste is een weglating en een toevoeging tegelijk.)

Deze verschillende soorten transformaties kunnen met dezelfde voorbeelden verduidelijkt worden:

Dat was kort en krachtig (alliteratie) -1-

ipv: Dat ging snel en er gebeurde veel.

Transformatie tov de normale formulering: vervanging (van zinsdelen)

Lezen, ik kan er niet genoeg van krijgen  (prolepsis)

ipv: Ik kan niet genoeg van lezen krijgen.

Transformatie tov de normale formulering: verplaatsing

Ik ben me doodgeschrokken (hyperbool)

ipv: Ik ben erg geschrokken

Transformatie tov de normale formulering: vervanging (van een zinsdeel)

Hij was ziek als een hond  (vergelijking)

ipv: Hij was erg ziek

Transformatie tov de normale formulering: toevoeging

Dat huishouden is een georganiseerde chaos (oxymoron)

ipv: Dat huishouden lijkt een chaos, maar alles heeft zijn vaste plaats

Transformatie tov de normale formulering: vervanging van een zinsdeel

O, o, o, wat een rommel is het hier (repetitio)

ipv: O, wat een rommel!

Transformatie tov de normale formulering: toevoeging

Jij bent ook een mooie! (antifrase)

ipv: Jij bent ook een … (benaming voor iemand met een slechte eigenschap)

Transformatie tov de normale formulering: vervanging (van een woord door een ander woord)

Ik vind dat niet onaardig (adynaton)

ipv: Ik vind dat goed

Transformatie tov de normale formulering: vervanging (van een woord door een zinsdeel)

Hier zet men koffie en over (zeugma)

ipv: Hier zet men koffie en zet men over

Transformatie tov de normale formulering: weglating

Tropen en schema’s

De stijlfiguren worden traditioneel in twee groepen verdeeld: tropen en schema’s.

Schema’s noemt men de stijlfiguren, waarbij de taalkundige transformatie ligt op het gebied van de grammaticale structuur, ofwel de grammaticale vorm en volgorde van de woorden.

In bovenstaande voorbeelden gebeurt dat in -2- en -6-.

Tropen noemt men de stijlfiguren, waarbij de taalkundige transformatie ligt op het gebied van semantiek, ofwel op het gebied van de betekenis (afgegeven boodschap) van woorden.

In bovenstaande voorbeelden gebeurt dat in -3-, -4-, -5- en -7-.

Dan is er derde groep, waarbij de taalkundige tranformatie niet grammaticaal of semantisch is, maar berust op fonologie. Dit is bij -1- het geval. In de zin warin zich de stijlfiguur bevindt is de grammatica is normaal, en ten opzichte van de ‘normale’ zin is door de transformatie de betekenis niet veranderd, maar de nieuwe woorden klinken mooi omdat ze allitereren. Dat is fonologie.

Deze drie groepen, met de vier transformaties, is de basis van de classificatie van stijlfiguren die ik heb gemaakt.

Om het onderscheid tussen tropen en schema’s te verduidelijken loop ik dezelfde voorbeelden langs:

Dat was kort en krachtig (alliteratie)

ipv: Dat ging snel en er gebeurde veel.

Troop of schema: geen van beiden, want de transformatie tov de normale zin is niet syntactisch en niet semantisch.

Lezen, ik kan er niet genoeg van krijgen  (prolepsis)

ipv: Ik kan niet genoeg van lezen krijgen.

Troop of schema: schema, want de transformatie tov de normale zin is syntactisch (grammaticaal correcte woordvolgorde wordt veranderd)

Ik ben me doodgeschrokken (hyperbool)

ipv: Ik ben erg geschrokken

Troop of schema: troop, want de transformatie tov de normale zin is semantisch (met het begrip ‘doodschrikken’ wordt een nieuw betekenisveld geintroduceerd, nl sterven)

Hij was zo ziek als een hond  (vergelijking)

ipv: Hij was erg ziek

Troop of schema: troop, want de transformatie tov de normale zin is semantisch (met het begrip ‘hond’ wordt een nieuw betekenisveld geintroduceerd)

Dat huishouden is een georganiseerde chaos (oxymoron of paradox)

ipv: dat huishouden lijkt een chaos, maar alles heeft zijn vaste plaats

Troop, want de transformatie tov de normale zin is semantisch (met het begrip ‘organiseren’ wordt een nieuw betekenisveld geintroduceerd)

O, o, o, wat een rommel is het hier (repetitio)

ipv: O, wat een rommel!

Troop of schema: schema, want de transformatie tov de normale zin is syntactisch (herhaling van hetzelfde woord)

Jij bent ook een mooie! (antifrase)

Jij bent ook een – – – (= benaming van iemand met een slechte eigenschap)

Troop of schema: troop, want de transformatie tov de normale zin is semantisch (met het begrip ‘mooie’ wordt een nieuw betekenisveld geintroduceerd, nl een goed persoon)

Ik vind dat niet onaardig (adynaton)

ipv: Ik vind dat goed

Troop of schema: troop, want de transformatie tov de normale zin is semantisch (met het begrip ‘onaardig’ wordt een nieuw betekenisveld geintroduceerd, nl iets verkeerds)

Vragen

De vragen die ik mij gesteld heb zijn de volgende:

1. Komen alle stijlfiguren beeldend voor?

2. Zijn er stijlfiguren die beeldend niet mogelijk zijn? 

3. Bestaan er stijlfiguren zijn die alleen visueel voorkomen en niet in tekst mogelijk zijn? Als ze bestaan, hoe zien ze er uit en hoe zouden ze kunnen heten?

Stellingen

1. Stijlfiguren komen voor in de visuele wereld (beeldende kunst, fotografie, reclame en grafische vormgeving)

2. Niet alle literaire stijlfiguren komen voor in de visuele wereld, omdat de transformatie van de betreffende stijlfiguur zich afspeelt op het gebied dat specifiek is voor gesproken en geschreven taal.

3. Er bestaan visuele stijlfiguren die niet in tekst (gesproken taal) mogelijk zijn, omdat de transformatie zich afspeelt op het gebied van gezichtspunt, uitkadering, grootte of stand van het beeld. 

Meerdere stijlfiguren één zin

Uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaduw heen.

Deze zin komt voor in een kerkelijk lied dat traditioneel gezongen werd in de protestantse kerk op Oudejaarsavond.

In deze zin kun je meerdere stijlfiguren ontdekken: de enumeratio (opsomming), meer specifiek de accumulatio (opsomming van termen met een specifieke samenhang). In deze accumulatio zit bovendien een climax (oplopend gewicht of spanning in de opgesomde termen).  Voorts ontdekken we een verdierlijking en een verdinglijking: de tijd wordt  voorgesteld als respectievelijk een vogel (hij vliegt) en iets met massa (schaduw). De verdinglijking en verdierlijking zijn ieder metaforen (beeldspraak).

Jong geleerd, oud gedaan

Ook in dit gezegde zit meer dan één stijlfiguur. We onderscheiden respectievelijk een antithese (jong vs oud), een ellips (vereenvoudiging door weglating van woorden) en een alliteratie (ge-leerd, ge-daan). 

In het boekomslag hiernaast zijn ook meerdere stijlfiguren te ontdekken. Genoemd kunnen wordenhet beeldrijm (vormgelijkenis van strijkijzer en tong) en de oxymoron (scherpe tegenstelling scherp-zacht). Tenslotte kun je hier een kruisstelling in onderscheiden (omgekeerd herhalen van een vorm).

Visuele stijlfiguren